Eb en vloed

schlesinger2Zowel in campagnetechnisch als politiek opzicht is de campagne van 2012 een gamechanger geworden. De politieke impact zou qua significantie wel eens het spiegelbeeld kunnen worden van de verkiezingen van 2002. En daarmee is aangetoond dat de cyclical theorie van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger ook heel goed op de Nederlandse politiek van toepassing zou kunnen zijn.

De cyclical theorie van Arthur Schlesinger legt de oorzaak van grote politieke verschuivingen primair neer bij een verandering in het nationale bewustzijn. Schlesinger betoogt dat er in iedere maatschappij een constante eb- en vloedbeweging gaande is tussen waarden van nationaal en eigenbelang. In sommige jaren is er maatschappelijk draagvlak voor het nationale belang, in andere jaren juist voor het eigenbelang. En politieke aardverschuivingen zijn te verwachten bij een shift in de cyclus, die leiden tot structurele verandering en het begin van een nieuwe cyclus.

De Schlesinger-theorie wordt ook wel eens omschreven als het pendule-effect, maar dat is een misvatting. Een pendule swingt van links naar rechts en suggereert een heen-en-weer beweging. De kern van de cyclical-theorie is geen getijdenstroom tussen links en rechts, maar tussen maatschappelijke waarden ten aanzien van publiek en privaat, met structurele verandering, groei en ontwikkeling bij iedere overgang. De crux van Schlesingers betoog is dat deze cyclus even constant als onvermijdelijk is, en dat politici de politieke getijdenstroom zelf niet kunnen beïnvloeden. Het enige dat ze kunnen doen is inspelen op het nationale gevoel en anticiperen op veranderingen in de cyclus.

De kenmerken van een cyclical-theorie zijn ook in de Nederlandse politieke geschiedenis goed waarneembaar. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de wederopbouw en stond het nationale belang centraal. Het eindpunt van die cyclus werd gemarkeerd door de opkomst van D66 met een platform van democratisering en een shift naar het eigenbelang. Die ontwikkeling werd weer opgevolgd door een periode van nationaal belang onder invloed van de grote sociale experimenten van Joop den Uyl in de jaren zeventig. De jaren tachtig waren de hoogtijdagen van de ontzuiling – eigenbelang pur sang – en met Paars in de jaren negentig stond het maatschappelijke belang weer bovenaan de agenda middels structurele maatschappelijke hervormingen.

In 2001 voelde Pim Fortuyn een verandering in het getijde. Op thema’s als immigratie, onderwijs en zorg begon het maatschappelijke belang te schuren met het eigenbelang. Het werd weer tijd, vond Fortuyn, voor de ‘menselijke maat’. Argumenten als ‘meer handen aan het bed’, ‘minder asielzoekers in de buurt’, en ‘het land teruggeven aan de burgers van dit land’ waren allemaal argumenten die inspeelden op het eigen- in plaats van het nationale belang. De Fortuynrevolte leidde tot een populistische cyclus die via Geert Wilders tot een springtij werd gedreven met zijn verstrekkende – en extreem private – standpunt dat Nederland zelfs uit Europa en de euro moest stappen.

Maar de verbazingwekkende verkiezingsuitslag van 12 september 2012 lijkt een sterke indicatie te zijn dat het populistische getijde over haar hoogtepunt heen is, en de eb in aantocht. De dijken zijn niet bezweken. Niet dankzij de politiek, maar omdat een meerderheid van de Nederlandse bevolking zich lijkt te gaan scharen achter een aantal waarden die het collectieve belang ondersteunen.

Als je de standpunten van de grote winnaars VVD en PvdA naast elkaar legt, vind je ideologisch nog best wel een aantal verschillen. Maar in grote lijnen is er consensus voor een collectieve aanpak van een aantal grote problemen door ingrijpende – en op individueel niveau vaak pijnlijke – maatregelen. Het saneren van de overheidsfinanciën, het hervormen van de woningmarkt, de verhoging van de AOW leeftijd, brede aanpassingen in de zorg, en last but not least – op het randje van de afgrond – toch een keuze vóór Europa. Het feit dat premier Mark Rutte de eerste Europese regeringsleider is die op het dieptepunt van de eurocrisis met een historische meerderheid is herkozen, is niet alleen een credit voor zijn campagneteam maar ook een belangrijke indicatie van een significante kanteling in het maatschappelijke bewustzijn.

Nederland lijkt rijp voor het eerlijke verhaal. En eerlijk is geen standpunt maar een waardeoordeel. Na tien jaar populisme en politieke versnippering draait Nederland plotsklaps – en geheel onverwachts – weer terug naar het midden. De flanken staan met lege handen en de eerste contouren van een nieuwe coalitie worden reeds zichtbaar. Tien jaar na de ‘puinhopen van’ zou het een ironische bevestiging kunnen worden van Schlesingers cyclical theorie als er straks toch weer een Paars kabinet op het bordes staat. Het kan verkeren.